Dit reglement verstaat onder:
a. de wet: de Wet medezeggenschap op
scholen (Stb. 2006 , 658);
b. bevoegd gezag: Dagelijks Bestuur
Stadsdeel Osdorp;
c. medezeggenschapsraad: de
medezeggenschapsraad als bedoeld in artikel 3 van de wet;
d. school: Calandlyceum;
e. leerlingen:
leerlingen in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs;
f.
ouders: de
ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen;
g. schoolleiding: rector, bedoeld in de
Wet op voortgezet onderwijs alsmede de conrectoren;
h.
personeel:
het personeel dat in dienst is dan wel ten minste 6 maanden te werk gesteld is
zonder benoeming bij het bevoegd gezag en dat werkzaam is op de school;
i. geleding: de afzonderlijke
groepen van leden, bedoeld in artikel 3, derde lid van de wet.
Aan de school is een
medezeggenschapsraad verbonden. Deze raad wordt rechtstreeks door en uit de
ouders, leerlingen en het personeel gekozen volgens de bepalingen van dit
reglement.
1.
De medezeggenschapsraad bestaat uit 16 leden van wie:
a.
Acht leden door en uit het personeel worden gekozen; en
b.
Vier leden door en uit de
ouders; en
c.
Vier leden door en uit de
leerlingen wordt gekozen.
2. Indien niet aan het gestelde in
het eerste lid onder b en c kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel
leerlingen bereid zijn lid te worden, kan de niet door de desbetreffende groep
te vervullen plaats worden toegedeeld aan de andere groep.
1.
Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag kunnen geen zitting
nemen in de medezeggenschapsraad.
2.
Een personeelslid dat is
opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de
medezeggenschapsraad kan niet tevens lid zijn van de medezeggenschapsraad.
1.
Een lid van de
medezeggenschapsraad heeft zitting voor een periode van twee jaar.
2.
Een lid van de
medezeggenschapsraad treedt na zijn zittingsperiode af en is, behalve het
bepaalde in lid 3, terstond herkiesbaar.
3.
Een lid dat er vervulling
van een tussentijdse vacature is aangewezen of verkozen, treedt af op het
tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is aangewezen of verkozen, zou moeten
aftreden.
4.
Behalve door periodieke
aftreding eindigt het lidmaatschap van de medezeggenschapsraad:
a.
door overlijden;
b.
door opzegging door het
lid;
c.
zodra een lid geen deel
meer uitmaakt van de geleding waaruit en waardoor hij is gekozen;
d.
door
ondercuratelestelling.
De
leiding van de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad berust bij de
medezeggenschapsraad. De organisatie daarvan kan de medezeggenschapsraad
opdragen aan een verkiezingscommissie. De medezeggenschapsraad bepaalt de
samenstelling, werkwijze, en de bevoegdheden van de verkiezingscommissie alsmede
de wijze waarop over bezwaren inzake besluiten van de verkiezingscommissie wordt
beslist.
1.
De medezeggenschapsraad
bepaalt de datum van de verkiezing, alsmede de tijdstippen van aanvang en einde
van de stemming.
2.
De medezeggenschapsraad
stelt het bevoegd gezag, de ouders, de leerlingen en het personeel in kennis van
de in het eerste lid genoemde tijdstippen.
Zij
die op de dag van de kandidaatstelling deel uitmaken van het personeel of ouder
of leerling zijn, zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar tot lid van de van de
medezeggenschapsraad.
De
medezeggenschapsraad stelt 30 dagen voor de verkiezingen een lijst vast van de
personen die kiesgerechtigd en verkiesbaar zijn. Deze lijst wordt aan de ouders,
de leerlingen en het personeel bekend gemaakt onder vermelding van de
mogelijkheid zich kandidaat te stellen, alsmede van de daarvoor gestelde
termijn.
Indien uit de ouders, leerlingen
en het personeel niet meer kandidaten zijn gesteld dan er zetels in de
medezeggenschapsraad voor die geleding zijn, vindt voor die geleding geen
verkiezing plaats en worden de gestelde kandidaten geacht te zijn gekozen. De
medezeggenschapsraad stelt het bevoegd gezag, de geledingen en de betrokken
kandidaten daarvan tijdig vóór de verkiezingsdatum in kennis.
1.
De verkiezing vindt
plaats bij geheime, schriftelijke stemming.
2.
Uiterlijk één week voor
de datum van de verkiezingen zendt de medezeggenschapsraad aan de
kiesgerechtigden een gewaarmerkt stembiljet dat de namen van de
kandidaten uit de betreffende geleding van de kiesgerechtigden bevat.
1.
Een kiesgerechtigde
brengt ten hoogste evenveel stemmen uit als er zetels voor zijn geleding in de
medezeggenschapsraad zijn. Op een kandidaat kan slechts één stem worden
uitgebracht.
2.
Een kiesgerechtigde kan
bij schriftelijke volmacht met overgave van zijn stembiljet een ander, die tot
dezelfde geleding behoort, zijn stem laten uitbrengen. Een kiesgerechtigde kan
voor ten hoogste één andere kiesgerechtigde bij volmacht een stem uitbrengen.
1.
Gekozen zijn de
kandidaten die achtereenvolgens het hoogste aantal stemmen op zich hebben
verenigd. Indien er voor de laatste te bezetten zetel meer kandidaten zijn, die
een gelijk aantal stemmen op zich verenigd hebben, beslist tussen hen het lot.
2.
De uitslag van de
verkiezingen wordt door de medezeggenschapsraad vastgesteld en schriftelijk
bekendgemaakt aan het bevoegd gezag, de geledingen en de betrokken kandidaten.
1.
In geval van een
tussentijdse vacature wijst de medezeggenschapsraad tot opvolger van het
betrokken lid aan de kandidaat uit de desbetreffende geleding die blijkens de
vastgestelde uitslag, bedoeld in artikel 13, tweede lid, daarvoor als eerste in
aanmerking komt.
2.
De aanwijzing geschiedt
binnen een maand na het ontstaan van de vacature. De medezeggenschapsraad doet
van deze aanwijzing mededeling aan het bevoegd gezag, de geledingen en de
betrokken kandidaat.
3.
Indien uit de ouders,
leerlingen en het personeel minder kandidaten zijn gesteld dan er zetels in de
medezeggenschapsraad voor die geleding zijn of indien er geen opvolger als
bedoeld in het eerste lid aanwezig is, kan in de vacature(s) voorzien worden
door het houden van een tussentijdse verkiezing. In dat geval zijn de artikelen
6 t/m 13 van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag en de
medezeggenschapsraad komen bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt
verzocht door de medezeggenschapsraad, een geleding van de medezeggenschapsraad
of het bevoegd gezag.
2.
Indien èn twee derden
van de leden van de medezeggenschapsraad èn de meerderheid van elke geleding
dat wensen, voert het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde bespreking met
elke geleding afzonderlijk.
3.
De medezeggenschapsraad
is bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden de school betreffende. Hij is
bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken.
4.
Het bevoegd gezag brengt
op de voorstellen, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede
reactie uit aan de medezeggenschapsraad.
5.
Alvorens over te gaan tot
het uitbrengen van deze reactie, stelt het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad
ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te voeren over de
voorstellen van de medezeggenschapsraad.
6.
Indien twee derden van de
leden van de medezeggenschapsraad en de meerderheid van elke geleding dat
wensen, voert het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde besprekingen en
overleg met elke geleding afzonderlijk.
1.
De medezeggenschapsraad
bevordert naar vermogen openheid en onderling overleg in de school.
2.
De medezeggenschapsraad
waakt voorts in de school in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan
ook en bevordert gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de inschakeling van gehandicapten
en allochtone werknemers.
3.
De medezeggenschapsraad
doet aan alle bij de school betrokkenen schriftelijk verslag van zijn
werkzaamheden en stelt de geledingen in de gelegenheid om over aangelegenheden
die de betrokken geleding in het bijzonder aangaan met hem overleg te voeren.
1.
De medezeggenschapsraad ontvangt van het bevoegd gezag, al dan niet
gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijze nodig heeft.
2.
De medezeggenschapsraad ontvangt in elk geval:
a.
jaarlijks de begroting en bijbehorende beleidsvoornemens op financieel,
organisatorisch en onderwijskundig gebied;
b.
jaarlijks voor 1 mei informatie over de berekening die ten grondslag ligt
aan de middelen uit ’s Rijks kas die worden toegerekend aan het bevoegd gezag;
c.
jaarlijks voor 1 juli de gegevens als bedoeld in artikel 106, eerste lid,
van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d.
de uitgangspunten die het bevoegd gezag hanteert bij de uitoefening van
zijn bevoegdheden;
e.
terstond informatie over elk oordeel van de klachtencommissie, bedoeld in
artikel 24b van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarbij de commissie een
klacht gegrond heeft geoordeeld en over de eventuele maatregelen die het bevoegd
gezag naar aanleiding van dat oordeel zal nemen, een en ander met inachtneming
van de privacy van het personeel, ouders en leerlingen;
f.
ten minste eenmaal per jaar schriftelijke gegevens over de hoogte en
inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in
de school werkzame personen en de leden van het bevoegd gezag waarbij
inzichtelijk wordt gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke
regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en die van het voorafgaande
jaar;
g.
tenminste eenmaal per jaar schriftelijke gegevens over de hoogte en inhoud
van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met het orgaan van de
rechtspersoon dat is belast met het toezicht op het bevoegd gezag waarbij
inzichtelijk wordt gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke
regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en die van het voorafgaande
jaar;aan het begin van het schooljaar schriftelijk de gegevens met betrekking
tot de samenstelling van het bevoegd gezag, de organisatie binnen de school, het
managementstatuut en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid.
3.
Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt
aan een geleding van de medezeggenschapsraad wordt dat voorstel gelijktijdig ter
kennisneming aan de andere geleding van de medezeggenschapsraad aangeboden.
Daarbij verstrekt het bevoegd gezag de beweegredenen van het voorstel, alsmede
de gevolgen die de uitwerking van het voorstel naar verwachting zal hebben voor
het personeel, ouders en leerlingen en van de naar aanleiding daarvan genomen
maatregelen.
De medezeggenschapsraad stelt
jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden in het afgelopen jaar vast en zendt
dit verslag ter kennisneming aan het bevoegd gezag, de schoolleiding, het
personeel , de ouders en de leerlingen. De medezeggenschapsraad draagt er zorg
voor dat het verslag ten behoeve van belangstellenden ter inzage op een algemeen
toegankelijke plaats op de school wordt gelegd.
De vergadering van de
medezeggenschapsraad is openbaar, tenzij over individuele personen wordt
gesproken of de aard van een te behandelen zaak naar het oordeel van een derde
van de leden zich daartegen verzet.
Indien bij een vergadering of
een onderdeel daarvan een persoonlijk belang van een van de leden van de
medezeggenschapsraad in het geding is, kan de medezeggenschapsraad besluiten dat
het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt.
De medezeggenschapsraad besluit dan tegelijkertijd dat de behandeling van de
desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsvindt.
De leden van de
medezeggenschapsraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken die zij in
hun hoedanigheid vernemen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag dan wel de
medezeggenschapsraad hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband
met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Het
voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de
behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld.
Degene die de
geheimhouding, zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, oplegt, deelt
daarbij tevens mede welke schriftelijke of mondelinge verstrekte gegevens onder
de geheimhouding vallen en hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen
zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden
genomen.
De plicht tot
geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de raad,
noch door beëindiging van de band van de betrokkene met de school.
Het bevoegd gezag behoeft de
voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor de door hem voorgenomen
besluiten met betrekking tot:
a.
verandering van de
onderwijskundige doelstellingen van de school;
b.
vaststelling of wijziging
van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en examenregeling en
het zorgplan;
c.
vaststelling of wijziging
van het schoolreglement;
d.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot het verrichten door ouders van ondersteunende
werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs;
e.
vaststelling of wijziging
van regels op het gebied van het veiligheids-, het gezondheids- en
welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de
personeelsgeleding;
f.
de aanvaarding van materiële
bijdragen of geldelijke bijdragen anders dan de ouderbijdrage als bedoeld in
artikel 24, tweede lid, onderdeel c van dit reglement en niet gebaseerd op de
onderwijswetgeving indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt
waarmee de leerlingen binnen de schooltijden respectievelijk het onderwijs en
tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van
het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden
geconfronteerd;
g.
de vaststelling of
wijziging van de voor de school geldende klachtenregeling;
h.
overdracht van de school
of van een onderdeel daarvan, respectievelijk fusie van de school met een andere
school, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake.
De medezeggenschapsraad wordt
vooraf in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de door het bevoegd
gezag voorgenomen besluiten met betrekking tot:
a.
vaststelling of wijziging
van het lesrooster in het voorgezet onderwijs;
b.
vaststelling of wijziging
van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder
de voorgenomen bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve
van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen,
met uitzondering van de ouderbijdrage als bedoeld in artikel 24, tweede lid,
onderdeel c van dit reglement;
c.
beëindiging, belangrijke
inkrimping of uitbreiding van de werkzaamheden van de school of van een
belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid
terzake;
d.
het aangaan, verbreken of
belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een
andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid
terzake;
e.
deelneming of beëindiging
van deelneming aan een onderwijskundig project of experiment, dan wel
vaststelling of wijziging van het beleid terzake;
f.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot de organisatie van de school;
g.
vaststelling of wijziging
van een regeling op het gebied van aanstellings- of ontslagbeleid voor zover die
vaststelling of wijziging verband houdt met de grondslag van de school of de
wijziging daarvan;
h.
aanstelling of ontslag
van de schoolleiding;
i.
vaststelling of wijziging
van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding, alsmede de vaststelling
of wijziging van het managementstatuut;
j.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot toelating en verwijdering van leerlingen;
k.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot de toelating van studenten die elders in
opleiding zijn voor een functie in het onderwijs;
l.
regeling van de vakantie;
m.
het oprichten van een
centrale dienst;
n.
nieuwbouw of belangrijke
verbouwing van de school;
o.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot het onderhoud van de school;
Het bevoegd gezag behoeft de
voorafgaande instemming van dat deel van de
medezeggenschapsraad dat uit en
door het personeel is gekozen voor de door hem
voorgenomen besluiten met
betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a.
regeling van de gevolgen
voor het personeel van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als
hiervoor bedoeld in artikel 22 in de onderdelen c,d,e en m;
b.
vaststelling of wijziging
van de samenstelling van de formatie;
c.
vaststelling of wijziging
van regels met betrekking tot de nascholing van het personeel;
d.
vaststelling of wijziging
van een mogelijk werkreglement voor het personeel en van de opzet en de
inrichting van het werkoverleg, voor zover het besluit van algemene gelding is
voor alle of een gehele categorie van personeelsleden;
e.
vaststelling of wijziging
van de verlofregeling van het personeel;
f.
vaststelling of wijziging
van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel;
g.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen en
gratificaties aan het personeel;
h.
vaststelling of wijziging
van de taakverdeling respectievelijk de taakbelasting binnen het personeel, de
schoolleiding daaronder niet begrepen;
i.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot personeelsbeoordeling, functiebeloning en
functiedifferentiatie;
j.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot het overdragen van de bekostiging;
k.
vaststelling of wijziging
van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim
of het reïntegratiebeleid;
l.
vaststelling of wijziging
van een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk
m.
vaststelling of wijziging
van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens
van het personeel;
n.
vaststelling of wijziging
van een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor
waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van het
personeel;
o.
vaststelling of wijziging
van een regeling op het gebied van het bevorderingsbeleid of op het gebied van
het aanstellings- en ontslagbeleid voor zover die vaststelling of wijziging geen
verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging daarvan;
p.
vaststelling of wijziging
van regels waarover partijen die een collectieve arbeidsovereenkomst hebben
gesloten, zijn overeen gekomen dat die regels of de wijziging daarvan in het
overleg tussen bevoegd gezag en het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad
tot stand wordt gebracht;
q.
vaststelling of wijziging
van de regeling inzake de faciliteiten, voor zover die betrekking heeft op het
personeel;
1.
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van dat deel van de
medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en de leerlingen is gekozen, voor
de door hen voorgenomen besluiten met betrekking tot:
a.
vaststelling van de
schoolgids;
b.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot de activiteiten die buiten de voor de school
geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het
bevoegd gezag;
c.
vaststelling van de
onderwijstijd;
2.
Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel
van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders is gekozen, voor elke door
het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende
aangelegenheden:
a.
regeling van de gevolgen
voor de ouders of leerlingen van een besluit met betrekking tot een
aangelegenheid als hiervoor bedoeld in artikel 21, onderdelen c, d, e en m;
b.
verandering van grondslag
van de school of omzetting van de school of een onderdeel daarvan, dan wel
vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
c.
vaststelling of wijziging
van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen
die van de ouders of de leerlingen wordt gevraagd zonder dat daartoe een
wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van
een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;
d.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking het beheersbaar houden van de middelen die van de
ouders of de leerlingen worden gevraagd voor schoolboeken en lesmateriaal,
noodzakelijk om het onderwijs aan de school te kunnen volgen, en voor andere
schoolkosten die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
e.
vaststelling of wijziging
van een mogelijk ouderstatuut;
f.
vaststelling of wijziging
van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens
van ouders;
g.
vaststelling of wijziging
van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd
gezag en ouders;
h.
vaststelling of wijziging
van de regeling inzake faciliteiten voor zover die betrekking heeft op ouders.
3.
Het bevoegd gezag behoeft
tevens de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat
uit en door de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen
besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a.
vaststelling of wijziging
van het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet
onderwijs dan wel een mogelijk leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel
24g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
b.
vaststelling of wijziging
van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van leerlingen;
c.
regeling van gevolgen
voor de leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als
bedoeld in artikel 22 c, d, e en m;
d.
vaststelling of wijziging
van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens
van leerlingen;
e.
vaststelling of wijziging
van de faciliteitenregeling voorzover die betrekking heeft op leerlingen.
De artikelen 21 tot en met 24
van dit reglement zijn niet van toepassing;
a.
indien en voor zover de
betrokken aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is geregeld in een bij
of krachtens wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst;
b.
indien en voor zover de
betrokken aangelegenheid het individuele personeelslid dan wel de individuele
leerling betreft met uitzondering van het voorstel tot benoeming of ontslag van
de schoolleiding;
c.
indien en voor zover de
betrokken aangelegenheid de algemene rechtstoestand van het personeel betreft en
daarover overleg wordt gevoerd door het bevoegd gezag in het decentraal
georganiseerd overleg.
1.
Het bevoegd gezag stelt
de medezeggenschapsraad of die geleding van de medezeggenschapsraad die het
aangaat een redelijke termijn waarbinnen een schriftelijke standpunt uitgebracht
dient te zijn over de voorgenomen besluiten met betrekking tot een
aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 21 tot en met 24 van dit reglement.
2.
De in het eerste lid
bedoelde termijn kan door het bevoegd gezag per geval, op gemotiveerd verzoek
van de medezeggenschapsraad dan wel die geleding van de medezeggenschapsraad die
het aangaat, worden verlengd.
3.
Indien de
medezeggenschapsraad dan wel de geleding van de medezeggenschapsraad die het
aangaat, niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn advies uitbrengt dan
wel geen uitsluitsel geeft over het al dan niet verlenen van instemming, kan het
bevoegd gezag het voorgenomen besluit omzetten in een definitief besluit.
1.
De medezeggenschapsraad
kiest uit zijn midden een voorzitter, een plaatsvervangende voorzitter en een
secretaris.
2.
De voorzitter, of bij
diens verhindering de plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de
medezeggenschapsraad in rechte.
1.
De leden van de
medezeggenschapsraad komen de uit het lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen
na.
2.
De medezeggenschapsraad
kan tot het oordeel komen, dat een lid van de medezeggenschapsraad de in het
eerste lid bedoelde verplichtingen niet nakomt, indien het betrokken lid;
a.
hetzij ernstig nalatig is in het naleven van de
bepalingen van de wet en van het medezeggenschapsreglement;
b.
hetzij de plicht tot geheimhouding schendt over
gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet
vermoeden;
c.
hetzij een ernstige belemmering vormt voor het
functioneren van de medezeggenschapsraad.
3.
Ingeval van een oordeel
als bedoeld in het tweede lid kan de medezeggenschapsraad met een meerderheid
van ten minste twee derden van het aantal leden besluiten het betreffende lid te
wijzen op zijn verplichtingen dan wel het desbetreffende lid verzoeken zich
terug te trekken als lid van de medezeggenschapsraad
4.
Ingeval van een oordeel
als bedoeld in het tweede lid kan de geleding, waaruit en waardoor het betrokken
lid is gekozen, met een meerderheid van ten minste twee derden besluiten het lid
van de medezeggenschapsraad uit te sluiten van de werkzaamheden van de
medezeggenschapsraad voor de duur van ten hoogste drie maanden.
5.
De medezeggenschapsraad
pleegt ingeval van het in het tweede lid bedoelde oordeel en ingeval van een
voornemen als bedoeld in het derde lid zoveel als mogelijk overleg met de
geleding waaruit en waardoor het betrokken lid is gekozen, rekeninghoudend met
de vertrouwelijkheid van gegevens.
6.
Een in het tweede lid
bedoeld oordeel wordt schriftelijk aan het betrokken lid kenbaar gemaakt.
7.
Een in het derde en
vierde lid bedoeld besluit kan niet worden genomen, dan nadat het betrokken lid
in de gelegenheid is gesteld schriftelijk kennis te nemen van de tegen hem
ingebrachte bezwaren en tevens in de gelegenheid is gesteld zich daartegen te
verweren, waarbij hij zich desgewenst kan doen bijstaan door een raadsman.
1.
Het personeel en de ouders/leerlingen van de school kunnen de secretaris
schriftelijk verzoeken een onderwerp of voorstel ter bespreking op de agenda van
een vergadering van de medezeggenschapsraad te plaatsen.
2
De secretaris voert overleg met de voorzitter en informeert de aanvrager
of het onderwerp of voor stel al dan niet ter bespreking op de agenda wordt
geplaatst alsmede wanneer de vergadering zal plaatsvinden
3
Binnen een week nadat de vergadering heeft plaatsgevonden, stelt de
secretaris degenen, die een verzoek als bedoeld in het eerste lid van dit
artikel hebben ingediend, schriftelijk op de hoogte van het resultaat van de
bespreking van dat onderwerp of voorstel door de medezeggenschapsraad.
1.
De medezeggenschapsraad dan wel een geleding van die raad kan besluiten,
alvorens een besluit te nemen met betrekking tot een voorstel van het bevoegd
gezag over de aangelegenheden, zoals bedoeld in artikel 21 tot en met 24 van dit
reglement, het personeel en de ouders/leerlingen dan wel de afzonderlijke
geledingen over dat voorstel te raadplegen.
2.
Op verzoek van een derde deel van het personeel of 10% van de
ouders/leerlingen van de school raadpleegt de medezeggenschapsraad dan wel een
geleding van die raad, alvorens een besluit te nemen, het personeel en/of de
ouders/leerlingen van de school over een voorstel zoals bedoeld in het eerste
lid.
1.
De medezeggenschapsraad
stelt, met inachtneming van de voorschriften van het medezeggenschapsreglement
en de wet, een huishoudelijk reglement vast.
2.
In het huishoudelijk
reglement wordt in ieder geval geregeld:
a.
de taakomschrijving van
de voorzitter en secretaris;
b.
de wijze van bijeenroepen
van vergaderingen;
c.
de wijze van opstellen
van de agenda;
d.
de wijze van
besluitvorming;
e.
het quorum wat vereist is
om te kunnen vergaderen.
3.
De medezeggenschapsraad
zendt een afschrift van het huishoudelijk reglement aan het bevoegd gezag.
De school is aangesloten bij de
landelijke commissie voor geschillen.
Indien een geschil ontstaat tussen de medezeggenschapsraad en het bevoegd gezag dat, ondanks herhaalde pogingen niet opgelost kan worden, kunnen beide partijen het geschil ter arbitrage voorleggen aan de landelijke commissie voor geschillen.
1.
De rector voert namens het bevoegd gezag het overleg, als bedoeld in dit
reglement, met de medezeggenschapsraad.
2.
Op verzoek van de
medezeggenschapsraad of op verzoek van het personeelslid, als genoemd in het
eerste lid, kan het bevoegd gezag besluiten dat personeelslid te ontheffen van
zijn taak om een bespreking namens het bevoegd gezag te voeren.
3.
Op verzoek van de
medezeggenschapsraad voert het bevoegd gezag in bijzondere gevallen zelf de
besprekingen met de medezeggenschapsraad.
1.
Het bevoegd gezag staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de
voorzieningen, waarover het kan beschikken en die de raad voor de vervulling van
zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
2.
Het bevoegd gezag werkt de faciliteiten voor de leden van de
medezeggenschapsraad, zoals bedoeld in de wet, nader uit in het
medezeggenschapsstatuut.
Het
bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de personen die staan of gestaan hebben op
een lijst van kandidaat gestelde personen als bedoeld in artikel 9 van dit
reglement, alsmede de leden en de gewezen leden van de medezeggenschapsraad niet
uit hoofde daarvan worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de school.
Het
bevoegd gezag legt elke wijziging van dit reglement als voorstel voor aan de
medezeggenschapsraad en stelt het gewijzigde reglement slechts vast voor zover
het na overleg al dan niet gewijzigde voorstel de instemming van ten minste twee
derde deel van het aantal leden van de medezeggenschapsraad heeft verworven.
1.
Dit reglement kan worden aangehaald als: “Medezeggenschapsreglement
Calandlyceum”.
2.
Dit reglement treedt in werking met ingang van 1 oktober 2007.